Schrijven we ‘ervandoor gaan’ aan elkaar
of los?

TAALTIP:
Voorzetsels in combinatie met ‘er’, ‘hier’, ‘daar’ en ‘waar’ schrijf je aan elkaar!

Weet u het nog? Voorzetsels zijn woorden als: op, in, onder, uit, boven, tegen, onder, van, (de kast).

Dus:
Hij knijpt ertussenuit.
Hij loopt erachteraan.
Wij zullen eronderdoor gaan.
Zij kan erdoorheen gaan.
We kunnen hieroverheen gaan.
We moeten ertussendoor lopen.

Klik hier voor meer bekende combinaties.

Let op: Een voorzetsel dat onderdeel is van een werkwoord, blijft los staan van het bijwoord ‘er’, ‘hier’, ‘waar’ en ‘daar’.

–          We gaan ervan uit. Het werkwoord is uitgaan (van), dus blijft ‘uit’ los van ‘ervan’.
–          Hij komt erop af. Het werkwoord  is afkomen (op), dus blijft ‘af’ los van ‘erop’
–          De mieren komen erop af. Het werkwoord is afkomen (op).
–          Hij valt ervan af. Het werkwoord is afvallen (van).

Ik hoor het graag als/wanneer u een taalvraag heeft

Beide zinnen zijn juist. Als en wanneer kun je meestal door elkaar gebruiken. Beide voegwoorden kunnen gebruikt worden om een tijdsmoment of een voorwaarde uit te drukken. ‘Als’ drukt meer een voorwaarde uit en ‘wanneer’ een tijd. Soms zit er een betekeningverschil in.

  • Wanneer ik een taalvraag heb, stel ik deze direct. (= tijd: elke keer/altijd als)
  • Als ik een taalvraag heb, stel ik deze direct. (= voorwaarde: mits)

Samenstellingen die uit een bijvoeglijk naamwoord en twee zelfstandige naamwoorden bestaan, behoren aaneengeschreven te worden om de betekenisrelatie uit te drukken.

Voorbeeld: De woorden langeafstandsloper en groenezeepfabrikant bestaan uit een bijvoeglijk naamwoord en twee zelfstandige naamwoorden. Het bijvoeglijk naamwoord heeft betrekking op het eerste zelfstandige naamwoord: ‘loper van lange afstanden’, ‘fabrikant van groene zeep’. Om deze betekenisrelatie uit te drukken, moeten dit soort samenstellingen aaneengeschreven worden.

Andere voorbeelden: collectievelastendruk, dodehoekspiegel en grotemensenwereld. Ook eengezinswoning en eerstegeneratieallochtoon (waarin het eerste deel een (rang)telwoord is) zijn één woord.

Langere samenstellingen worden eveneens aaneengeschreven: tweedegeneratieoorlogsslachtoffer, onroerendgoedtransactiekostensysteem.

Nog een paar voorbeelden:
* achttienholesgolfbaan (‘golfbaan met achttien holes’)
* achtuurjournaal (‘journaal van acht uur’)
* vrijesectorhuurappartement (‘huurappartement dat buiten het gemeentelijk
* bruinebonensoep (‘soep met bruine bonen’)
* derdewereldland (‘land in de derde wereld’)
* gebruiktekledinginzamelingsactie (‘inzamelingsactie voor gebruikte kleding’)
* grotestedenbeleid (‘beleid voor de grote steden’)
* kortetermijnoplossing (‘oplossing voor de korte termijn’)
* groteletterbibliotheek (‘bibliotheek met boeken met grote letters’)
* heetwaterreservoir (‘reservoir met heet water’)
* hogeronderwijsinstelling (‘instelling voor hoger onderwijs’)
*klassiekemuziekzender (‘zender die klassieke muziek uitzendt’)
* langetermijnfinancieelplan (‘financieel plan voor de lange termijn’)
* literairethrillervertaler (‘vertaler van literaire thrillers’)
* Mexicaansegriepvirus (‘virus dat Mexicaanse griep veroorzaakt’)
* middelbareschooltijd (‘tijd die men op de middelbare school doorbrengt’)
* verborgencameraprogramma (‘programma met de verborgen camera’)
* vrijetijdswetenschap (‘wetenschap die het gedrag van mensen in hun vrije tijd bestudeert’)
* wildedierentemmer (‘temmer van wilde dieren’)
* zwartebessenstruik (‘struik met zwarte bessen’)

 

Bron: Onze taal

 

Dat hangt af van de betekenis.

Al lang = ‘reeds lang, al een lange tijd’
Allang = ‘al’, ‘heus, echt wel’

Toelichting

Enkele voorbeelden:
(1) Ik ben al lang de bewoner van dit huis
(2) Ik ben allang blij dat jij mee gaat naar het concert

Soms is zowel allang als al lang goed:

1) Dat weet ik al lang (al lange tijd).
2) Dat weet ik allang (echt wel)

 Andere voorbeelden

Al weer / alweer
Allesbehalve / alles behalve
Als ook / alsook
Decennia lang / decennialang
Evengoed / even goed
Hoelang / hoe lang
Hoever / hoe ver
Nietwaar / niet waar
Te kort / tekort, te veel / teveel, te goed / tegoed
Ten slotte / tenslotte, ten minste / tenminste, ten einde / teneinde
Weleens / wel eens
Zo juist / zojuist, zo maar / zomaar
Zolang / zo lang, zoveel / zo veel, zomin / zo min
Zoveel mogelijk / zo veel mogelijk

Bron: Taaladvies

 

Gebruik dan

  • na een vergrotende trapgroter dan, meer dan, beter dan.
  • En na anderandere of anders:
    • Anders dan mijn zus hou ik erg van honden.
    • Documenten worden soms op een andere plek opgeslagen dan u gewend bent.
    • Het is een ander verhaal dan ik eerst dacht.

     

    Gebruik als

    • bij vergelijkingen met (net) zo … en even …:
      • Linda is even  oud als haar zus.
      • Truus is net zo oud als Marcha
      • Bas is even grappig als Marco.

    Maar deze regel gaat ook op voor gevallen waarin de twee genoemde personen of zaken niet even oud, groot, duur,  etc.  zijn.  Het gaat er alleen om of er zo of even in staat. Laat u niet afleiden door een ontkenning of door een getal (zoals in tien keer zo veel):

    • Ik ben half zo zwaar als Fred.
    • Henny is lang niet zo precies als Bart.
    • Een tekst kost bij een ander drie keer zo veel als bij mij.

    Bron:  Onze Taal

Welke verwijswoorden zijn correct in de zin ‘Het team verwacht dat hij/zij/het spoedig zijn/haar inspanningen kan vergroten’? Lees meer