sms-en

We gebruiken in het Nederlands werkwoorden die bestaan uit een afkorting waarvan we de afzonderlijke letters ook als afkorting uitspreken. Denk onder meer aan sms-en, dtp-en en cc-en.
Dergelijke werkwoorden krijgen een speciale behandeling:

De vuistregel is: zorg dat de afkorting herkenbaar wordt gescheiden van de rest van het woord. Voor een voltooid deelwoord betekent het dat je “ge-” (met streepje) ervoor zet. De werkwoorduitgangen “t”, “d” en “en” worden voorafgegaan door een apostrof. Zo zie je waar de afkorting ophoudt.

Vervolgens geldt de regel van ’t kofschip:
* Sms eindigt op een s en krijgt een t in ge-sms’t
* dtp eindigt op een p en krijgt een d in ge-dtp’d

cc-en
ik cc, hij cc’t, ik cc’de, ik heb ge-cc’d

dtp-en
ik dtp, hij dtp’t, ik dtp’de, ik heb ge-dtp’d

rt’en (retweeten bij Twitter of ‘remedial teaching’ lesgeven)
ik rt, hij rt’t, ik rt’de, ik heb ge-rt’d
(spreek uit: ge-erteed)

Gebruiken we deze afkortingswoorden als verkleinwoord, krijgen we een ‘tje erachter.
sms’je, cc’tje, rt’tje, A4’tje, pc’tje, etc.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *